****************************** Genesis******************************
 

Het verhaal in Genesis, het eerbiedwaardige eerste boek van de Bijbel kent ongeveer iedereen in onze kontreien.
Het geschiedkundige verhaal van mij, Pallanza Ziska, met roepnaam “Zanna” (voor de vriendjes en eigenaars) wil ik hier in het kort toelichten.

Geïnteresseerden lezen nog even moedig voort. (aanbevolen)

Niet geïnteresseerden doen hier vlug de boeken toe en gaan met hun hond wandelen. (als ze er ene hebben)

 


 

Nu jullie beslist hebben om effen met mij door letters en cijfers te kuieren, moet ik jullie vooreerst bedanken voor de goede keuze en doorzettingszin.
Ik waardeer het zeer jullie aan mijn leiband te hebben.

 


 

Mijn naam ken je al, en ik ook, dus ik herhaal het niet meer. (mijn baasjes doen dat genoeg, om er zeker van te zijn dat zij het niet vergeten)

Ik werd verwekt met nog 4 paar andere broers en zussen, uit ene Reu en ene Teeftche.(oostends voor vrouwelijke hond).
Mijne Paaa zijne naam ben ik vergeten want toentertijd had ik een acuut gebrek aan RAM-geheugen.
Mijne Maaa hare naam, Zbdeeke von Kreswüpherdinges of zo iets, alléé ik weet het ook niet meer juist, en ten slotte t'is niet belangrijk voor t'vervolg.

Ik werd dus geboren (en dat is wel belangrijk) ergens ten Vlaamsche Velden in het begin des jares 2OOO N.C.
In den beginne was het allemaal donker voor mijn ogen (Gen 1.²)
Maar na een paar weken kwam er stilletjes aan licht in mijn tunnel binnendwarrelen.
Ik begon in die dagen ook in te zien dat ik niet alleen op de wereld was, en dat ik mijn vrouwke moest staan om vlug en wel bij de melkkraantjes te komen. (kwestie van te overleven zonder honger en dorst)
Tussen ons gezegd, ik trok me goed uit de slag, want ik wist vlug de klepels hangen, en als ik niet direct op de eerste rij stond (lag) dan maakten een paar van die 7 andere, vlug, zeer vlug, plaats voor mij, want ik was ten slotte de grootste en de sterkste van de bende.
Ik moest maar mijn bovenste lip optrekken om hen duidelijk te maken dat ik er niet mee zwansde, en de ereplaats aan Maa’s drenkplaats werd voor mij vrijgegeven.


Het moet ongeveer in dezelfde periode geweest zijn dat ik een beetje onvoorzichtig was.
Ik ben toen een keer tegen “een Madam met een machientje in haar hand” gebotst en dat deed heel veel pijn. Aan de binnenkant van mijn rechter oor kun je nog steeds het stigma zien dat ik eraan overgehouden heb. Aanvankelijk was het rood en nu al eerder groen.
Dus beterschap merkbaar.
Sindsdien kijk ik steeds goed uit om niet in de weg te lopen van “Madammen met een machientje in de hand”.


Tijdens de speeltijden in mijn inprentingsfaze heb ik echt veel leute gehad met die andere 7. Ravotten, bekvechten en soms tamelijk echt vechten en bijten met die scherpe tandjes die ik toen had, dat deed ik graag. Ik herinner me niet dat ik ene keer het onderspit moest delven. Ik was de baas van de bende, en dat wist iedereen (behalve mijne Maaa, die had er wel een ander gedacht over).

Op zekere dag, toen ik al zonder hulp over de randen van onze mand kon klauteren en afdonderen, begon daar rond onze nest tamelijk veel interesse voor ons te ontstaan.
Ik kon dat merken aan allerlei volkeren die ik voorheen niet gezien, geroken of gevoeld had.
Beangstigend was het voor mij, om steeds weer opgepakt, betast en geknuffeld te worden.
Ik hield daar niet van.
Ik bevond me dan zo ergens tussen hemel en aarde, en voelde me niet al te veilig. Ik had schrik dat ze me zouden laten vallen, zoals het voorval met mijn vriend Boxer. (die is door zo’n val op zijn snoetje terechtgekomen en, och arme, levenslang misvormt).

Wat ik ook erg vond dat waren al die geuren die aan de bezoekers vastzaten.
Brrr, meestal verschrikkelijk.
Ik moest dikwijls mijn kopje afwenden wegens doordringende lijfgeurtjes, tabaksluchten, goedkope deodorantjes, stinkende adem en zware irritante parfums.
Van zo èèn van die parfums die onafscheidbaar aan een of andere tante kleefde,
ben ik ziek geworden.
Zeer ziek!
Ik viel er flauw van.
Ze hebben me toen een mond aan neus beademing moeten toedienen om me terug op de poot te krijgen.
Gelukkig heb ik daar niets schadelijks aan overgehouden. Alleen maar de barslechte herinnering!

Na een tijdje had ik trucken gevonden om te ontsnappen aan die lijfelijke contacten.
Als er alweer een nest bezoekers op me afkwam dan deed ik vlug mijn oogskes dicht en veinsde een diepe slaap. Als dat niet hielp, dan begon ik wild te spartelen in hun armen, en blijkbaar hadden ze dat niet zo graag. Lukkans 9 op 10.
Bij doorzetters beet ik in hun vingers en liefst nog in hun oorlelletjes. Zodoende kon ik mij onttrekken aan die ongewenste intimiteiten, en ik deed er ook plezier mee aan mijn nestgenootjes want die lustten er blijkbaar wel pap van.
Kwestie van goesting zeker?

Wanneer mijn Maaa de melkkraan dichtdraaide werd ik en de andere Kadetjes, water voorgezet en korrelig eten. Het was een aanpassingsperiode die ik tamelijk gemakkelijk doorkwam, ik vond die grote pot met fris water zelfs geweldig. Eerst eens goed van slobberen, daarna pootjes baden en dan pot omkieperen.
Kwestie van meer aandacht te krijgen van de andere huisgenoten.
Ik wist ook vlug hoe dikwijls ik dat spelletje mocht doen vooraleer die grote vent (kweker genoemd) boos werd.
Wat de korrels betreft had ik ook geen klagen; ik lustte ze meteen en at er zoveel ik wou. Natuurlijk dat ik de porties die voorzien was voor mijn genootjes ook ten dele voor mij opeiste.

Die grote vent (kweker genoemd) had blijkbaar ergens een partner gevonden (kwekerin genoemd) en die besteedde ook af en toe aandacht aan mij. Niet dat ik dat nodig had, maar allèè het stoorde me niet te fel, en ik liet maar begaan.
Verder hier geen kwaad woord over.
Alles tot hiertoe Oké.
Maar . . . .


… op het moment dat die kwekerin het in haar gedacht kreeg om, met zo een leutermachientje (Gsm, of zo iets), overal te bellen betreffende haar zogenoemde Puppies, begon ik me vragen te stellen.
Ik wist niet direct wat ons te wachten stond, maar na een paar van onze kameraadjes te hebben zien vertrekken in de armen van vreemde mensen, werd alles voor mij duidelijk.

Weldra kwam mijn beurt om afscheid te nemen van Mijn Roedelgenoten en van Mijn Maaa.
Ik hoopte dat het niet zou gebeuren, maar het bleek onafwendbaar.
Ik moest ook de deur uit!

Als het dan toch moest, dan wenste ik èèn ding: “Laat het alsjeblieft niet iemand zijn die tot de groep der geparfumeerde en onwelriekende behoort. “
 

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
 


Toen kwam de dag, en Pi (niet pippie, datiswatanders).
Het moment van mijn vertrek.
De kennismaking met mijn toekomstige “echte” baasjes.
De ontdekking van een nieuwe wereld. . . en veel meer.



Misschien beschrijf ik dat nog wel eens in een volgend briefje.
De titel van dat verhaaltje zou ik Exodus noemen, als Jij het ook goedvind.

 

Zanna.

Juni 2003.

zanna@pandora.be

"De grootste van de twee ben ik"

Als ik het vastheb dan geef ik het niet meer af.

Mijn vriend Boxer na zijn val.

 


Webmaster , all rights reserved.

Last update 16/12/2010